Uit het leven van Robbert Benenbroeck

Remco en ik waren in de zomer van 1996 twee weken onafscheidelijk. Zodra mijn ouders onze tent naast hun plek hadden geplaatst, vroeg hij of ik mee ging voetballen. We waren de enige jongens van rond de veertien jaar. Dagen brachten we door op het gele gras van het voetbalveldje en bij de kantine. De eerste uren trapten we nog tegen een bal, dan bij een van de twee lunchen en daarna hangen bij de kantine. Elke dag één ijsje. Althans, dat zeiden we onze ouders. We aten er altijd meer van het zakgeld dat we stiekem hadden meegenomen. We keken naar de meisjes van zestien en vroegen ons af wat ze toch zagen in die opgeblazen gasten van achttien. We spraken over voetbal, wielrennen, alle andere sporten die op de tv in de kantine voorbij kwamen. Soms doken we het meer in. Maar we zwegen vooral. Wie samen kan zwijgen, heeft de beste vriendschap. Vanavond zou Remco teruggaan. Zijn ouders pakten de vouwwagen in, dit was Remco's laatste middag op het terras. Het zwijgen was anders. De zon scheen net zo fel als de andere dagen, de meisjes lachten net zo vrolijk, maar alles was beladen. Hij had zijn adres op een bierviltje geschreven, ik deed hetzelfde. Want we zouden elkaar zeker opzoeken. Op het muurtje tussen terras en strand zat Barry de campingkater. Van menufolders maakten Remco en ik propjes, die we naar de kat schoten. We misten alles, Barry bleef liggen en keek ons uitdagend aan. Een auto stopte voor de slagboom. Remco's vader zwaaide naar me en zei dat Remco in moest stappen. Remco stond op, gaf me een hand en zei: "Ik zie je." Ik zweeg terug. Terwijl ik de vouwwagen in de verte zag verdwijnen, pakte ik een propje op dat naast de stoel was gevallen en schoot het weg. Raak, Barry schoot van het muurtje af. Ik stond op om naar mijn ouders te gaan. Remco zou ik niet meer zien, Barry ook niet. De laatste herinnering van die vakantie waren propjes bij een muurtje op een verlaten terras.